1
Beschrijf de concrete ervaring die je als onderwerp voor het gesprek wilt aandragen. Wat deed je tijdens de les? Wat deden de leerlingen tijdens de les? Wat wilde je? Wat wilden de leerlingen? Wat gebeurde er, wat zag je? Wat voelde je?
2
Had je deze ervaring gepland / verwacht / voorbereid? Wat wilde je bereiken met je handelen? Heb je dat doel wel of niet bereikt? In welk opzicht wel of niet? Waar lag dat aan?
3
a. Over welk competentiegebied hebben we het? Welke theorie die je kent kan oplossingen aangeven? Waarover wil je (aanvullend) iets opzoeken in de theorie?
b. Welke conclusies voor je eigen handelen trek je vanuit de theorie? Wat kun je toepassen? Wat heb je al toegepast? Welke verbeteracties kies je? Waarom?
4
a. Hoe ga je handelen in een nieuwe of soortgelijke situatie?
b. Wat is het leerdoel voor de volgende keer? Welk(e) competentiegebied(en) benoem je? Welke theorie ga je inzetten? Welke keuze maak je? Waarom? Wat wil je bereiken? Welke concrete activiteit plan je?
W.F. Weekenstroo - Het Assink Lyceum - 2010